Hij loopt langs de grachten van donker Amsterdam
Geen mens om mee te praten, hij heeft zoveel verlaten
En hij gaat nergens heen, alleen is maar alleen
Hij slentert over 't oude plein, de toren slaat het halve
uur
En in de verte lokt de schijn, van 't rode licht van
avontuur
Een meisje wenkt hem, kom er in, en hij blijft staan, kijkt
even op
Dan loopt hij door, hij heeft geen zin, in haar berekenende
kop
Toch aarzelt hij bij elke ruit, een vrouw kan mooi zijn in
dit licht
Toch zoekt hij niet de mooiste uit, maar eentje met een
lief gezicht
Ze lijkt op haar
Hij krijgt geen liefde voor zijn geld, maar wel de schijn
van een moment
Van tederheid, dat dubbel telt, wanneer je altijd eenzaam
bent
En ze is echt en naakt en warm, ze fluistert: lieverd, kom
blijf
Hij streelt de holte van haar arm, en zoekt beschutting van
haar lijf
Heel even, met zijn ogen dicht, denkt hij weer terug te
zijn bij haar
Dan kijkt hij op: een vreemd gezicht, het is niet waar
De lucht wordt blauw als porcelein, het laatste rode licht
gaat uit
Bij 't fluiten van de eerste trein als ze de deur achter
hem sluit
Daar staat hij op de stille gracht, verdwaasd en suf en
dichtgeklapt
Página 1 / 2